Johannes Brahms - Fünf Gesänge Op.104 - 4. Verlorene Jugend


Brausten alle Berge,
Sauste rings der Wald,
Meine jungen Tage,
Wo sind sie so bald?
Jugend, teure Jugend,
Flohest mir dahin;
O du holde Jugend,
Achtlos war mein Sinn!
Ich verlor dich leider,
Wie wenn einen Stein
Jemand von sich schleudert
In die Flut hinein.
Wendet sich der Stein auch
Um in tiefer Flut,
Weiss ich, dass die Jugend
Doch kein Gleiches thut.

[Josef Wenzig]


Bruisten alle bergen,
ruiste 't woud rondom,
de dagen van mijn jeugd,
waar zijn ze zo snel gebleven?
Jeugd, dierbare jeugd,
Vlood mij heen,
o jij bekoorlijke jeugd,
en ik merkte 't niet.
Ik verloor je helaas,
zoals wanneer iemand
een steen van zich werpt
in de stroom.
Ook al keert de steen zich
om in de stroom,
ik weet dat de jeugd
zoiets niet doet.

[Rein de Vries]