Johannes Brahms - Nänie


Auch das Schöne muß sterben,
das Menschen und Götter bezwinget!
Nicht die eherne Brust rührt es
des stygischen Zeus.
Einmal nur erweichte die Liebe
den Schattenbeherrscher,
Und an der Schwelle noch, streng,
rief er zurück sein Geschenk.
Nicht stillt Aphrodite
dem schönen Knaben die Wunde,
Die in den zierlichen Leib
grausam der Eber geritzt.
Nicht errettet den göttlichen Held
die unsterbliche Mutter,
Wenn er, am skäischen Tor fallend,
sein Schicksal erfüllt.
Aber sie steigt aus dem Meer
mit allen Töchtern des Nereus,
Und die Klage hebt an
um den verherrlichten Sohn.
Siehe, da weinen die Götter,
es weinen die Göttinen alle,
Daß das Schöne vergeht,
daß das Volkommene stirbt.
Auch ein Klaglied zu sein im Mund der Geliebten
ist herrlich,
Denn das Gemeine geht klanglos
zum Orkus hinab.

[Friedrich Schiller]


Ook het schone moet sterven,
dat mensen en goden beteugelt!
Niet de ijzeren inborst beroert het
van de Zeus van de Styx.
Eenmaal slechts verzachtte de liefde
de schaduwbewaker,
Maar op de drempel nog, streng,
riep hij zijn geschenk tot zich terug.
Niet stelpt Aphrodite
de wond van de schone jongeling,
Wreedaardig in het sierlijke lichaam
gereten door het everzwijn.
Niet redt de onsterfelijke moeder
de goddelijke held,
Wanneer hij, vallend voor Trojes poort,
zijn noodlot vervult.
Maar zij stijgt op uit de zee
met alle dochters van Nereus,
En heft de klaagzang aan
om de verheerlijkte zoon.
Zie, daar rouwen de goden;
de godinnen, zij allen rouwen,
Dat het schone vergaat,
dat het volmaakte sterft.
Ook een klaagzang te zijn in de mond van geliefden
is heerlijk,
Want het gewone daalt toonloos
tot Orcus omlaag.

[Rein de Vries]