Edward Elgar - The Music-Makers


Ode

We are the music-makers,
And we are the dreamers of dreams,
Wand'ring by lone sea-breakers,
And sitting by desolate streams;
World-losers and world-forsakers,
On whom the pale moon gleams:
Yet we are the movers and shakers
Of the world for ever, it seems.

With wonderful deathless ditties
We build up the world's great cities,
And out of a fabulous story
We fashion an empire's glory:
One man with a dream, at pleasure,
Shall go forth and conquer a crown;
And three with a new song's measure
Can trample a kingdom down.

We, in the ages lying
In the buried past of the earth,
Built Nineveh with our sighing,
And Babel itself in our mirth;
And o'erthrew them with prophesying
To the old of the new world's worth;
For each age is a dream that is dying,
Or one that is coming to birth.

(We are the music-makers,
And we are the dreamers of dreams.)

A breath of our inspiration
Is the life of each generation
A wondrous thing of our dreaming
Unearthly, impossible seeming –
The soldier, the king, and the peasant
Are working together in one,
Till our dream shall become their present,
And their work in the world be done.

They had no vision amazing
Of the goodly house they are raising;
They had no divine foreshowing
Of the land to which they are going:
But on one man's soul it hath broken,
A light that doth not depart;
And his look, or a word he hath spoken,
Wrought flame in another man's heart.

And therefore today is thrilling
With a past day's late fulfilling;
And the multitudes are enlisted
In the faith that their fathers resisted,
And, scorning the dream of tomorrow,
Are bringing to pass, as they may,
In the world, for its joy or its sorrow,
The dream that was scorned yesterday.

(We are the music-makers,
And we are the dreamers of dreams.)

But we, with our dreaming and singing,
Ceaseless and sorrowless we!
The glory about us clinging
Of the glorious futures we see,
Our souls with high music ringing;
O men! It must ever be
That we dwell, in our dreaming and singing,
A little apart from ye.

For we are afar with the dawning
And the suns that are not yet high,
And out of the infinite morning
Intrepid you hear us cry –
How, spite of your human scorning,
Once more God's future draws nigh,
And already goes forth the warning
That ye of the past must die.

Great hail! we cry to the comers
From the dazzling unknown shore;
Bring us hither your sun and your summers;
And renew our world as of yore;
You shall teach us your song's new numbers,
And things that we dreamed not before:
Yea, in spite of a dreamer who slumbers,
And a singer who sings no more.

(We are the music-makers,
And we are the dreamers of dreams.)

From: Music and Moonlight (1874)

[Arthur William Edgar O'Shaughnessy]


Ode

Wij zijn de muziekmakers,
En wij zijn de dromers van dromen,
Dwalend langs eenzame stranden,
En gezeten langs verlaten stromen;
Wereldverliezers en wereldverzakers,
Op wie de bleke maneschijn glimt:
Toch zijn wij de bewegers en schudders
Van de wereld voor altijd, kennelijk.

Met prachtige onsterfelijke deuntjes
Stichten we ’s werelds grote steden,
En uit een ongelooflijk verhaal
Vormen we de roem van een wereldrijk;
Een man met een droom zal, zo hij wil,
Vertrekken en een kroon veroveren;
En drie, met als maatstaf een lied,
Kunnen een koninkrijk vertrappelen.

Wij, in de tijdperken die liggen
In het begraven verleden van de aarde,
Bouwden Ninive met ons zuchten,
En zelfs Babel in onze vrolijkheid;
En wierpen ze weer omver met profetieën
Aan de oude wereld over de waarde der nieuwe;
Want elk tijdperk is een droom die vergaat,
Of een die staat te beginnen.

(Wij zijn de muziekmakers,
En wij zijn de dromers van dromen.)

Een ademtocht van onze bezieling
Is het leven van ieder geslacht
Een wonderbaarlijk iets van ons dromen
Onaards, onmogelijk lijkend –
De soldaat, de koning, en de boer
Werken tezamen als één,
Tot onze droom hun heden zal zijn,
En hun werk in de wereld gedaan.

Zij hadden geen visioen verbazend
Van het mooie huis dat zij bouwen;
Zij hadden geen goddelijke utopie
Van het land waar zij heen gaan:
Maar op de ziel van één man scheen het
Als een licht dat niet verbleekte;
En zijn blik, of een woord dat hij sprak,
Deed een vuur laaien in andermans hart.

En daarom zindert de huidige dag
Met de vervulling van één uit het verleden;
En de menigten worden geworven
In het geloof dat hun vaders weerstonden,
En, al versmadend de droom van morgen,
Realiseren ze, als ze dat kunnen,
In de wereld, om z’n geluk of verdriet,
De droom die gisteren versmaad was.

(Wij zijn de muziekmakers,
En wij zijn de dromers van dromen.)

Maar wij, met ons dromen en zingen,
Wij, zonder ophouden of spijt!
De roem hangt om ons heen
Van de roemrijke toekomst die we zien,
En verheven muziek weerklinkt in onze zielen;
O mensen! Het zal altijd zo moeten zijn
Dat we ons ophouden, in ons dromen en zingen,
Enigszins van jullie gescheiden.

Want wij zijn in de verte bij de dageraad
En de zonnen die nog niet hoog staan
En vanuit de oneindige morgen
Horen jullie ons onverschrokken roepen –
Hoe, ondanks jullie menselijke verachting,
Eens te meer Gods toekomst nadert,
En reeds gaat de waarschuwing uit
Dat jullie uit het verleden moeten sterven.

Groot heil! Roepen we de komenden toe
Vanaf de schitterende onbekende kust;
Breng ons hierheen jullie zon en zomers;
En vernieuw onze wereld van vroeger;
Jullie zullen ons jullie nieuwe liederen leren,
En dingen die we voorheen niet droomden:
Ja zelfs, ondanks een dromer die sluimert,
En een zanger die niet meer zingt.

(Wij zijn de muziekmakers,
En wij zijn de dromers van dromen.)

[Rein de Vries]