John Gardner - Four Wanton Ballads - Vier wulpse balladen


A Pleasant New Court Song
Upon a summer’s time,
In the middle of the morn,
A bonny lass I spied.
The fairest e’er was born;
Fast by a standing pool,
Within a meadow green,
She laid herself to cool,
Not thinking to be seen.
She gathered lovely flowers,
And spent her time in sport,
As if to Cupid’s bowers
She daily did resort.
The fields afford content
Unto this maiden kind,
Much time and pains she spent,
To satisfy her mind.
The cowslip there she cropped,
The daffodil and daisy;
The primrose looked so trim,
She scorned to be lazy:
And ever as she did
These pretty posies pull,
She rose and fetched a sigh
And wished her apron full.
I hearing of her wish,
Made bold to step unto her;
Thinking her love to win,
I thus began to woo her:
‘Fair maid, be not so coy,
To kiss thee I am bent.’
‘O fie,’ she cried, ‘away!’
Yet smiling, gave consent.
Then did I help to pluck
Of ev’ry flower that grew;
No herb nor flower I missed
But only thyme and rue.
Both she and I took pains
To gather flowers store,
Until this maiden said,
‘Kind sir, I’ll have no more.’
Yet still my loving heart
Did proffer more to pull;
‘No, sir,’ quoth she, ‘I’ll part,
Because my apron’s full.
So, sir, I’ll take my leave,
Till next we meet again:’
Rewards me with a kiss,
And thanks me for my pain.
[anon. 17de eeuw]

Godly Girzie
The night it was a holy night,
The day had been a holy day;
Kilmarnock gleam’d wi’ candle light,
As Girzie hameward took her way.
A man o’ sin, ill may he thrive!
And never holy meeting see!
With Godly Girzie met belyve,
Amang the Craigie hills sae hie.
The chiel was wight, the chiel was stark,
He wadna wait to chap nor ca,
And she was faint wi’ holy wark,
She had na pith to say him na.
But ay she glow’red up to the moon,
And ay she sigh’d most piouslie,
‘I trust my heart’s in heaven aboon,
Whare’er your sinfu’ pintle be.’
[Robert Burns]

The Sandgate Girl’s Lamentation
I was a young maid truly,
And liv’d in Sandgate Street.
I thought to marry a good man
To keep me warm at neet.
He’s an ugly body, a bubbly body,
An illfared hideous loon;
And I have married a keelman,
And my good days are done.

I thought to marry a parson
To hear me say my prayers;
But I have married a keelman,
And he kicks me down the stairs.
He’s an ugly body ... etc.

I thought to marry a dyer
To dye my apron blue;
But I have married a keelman,
And he makes me sorely rue.
He’s an ugly body ... etc.

I thought to marry a joiner
To make me chair and stool;
But I have married a keelman,
And he’s a perfect fool.
He’s an ugly body ... etc.

I thought to marry a sailor
To bring me sugar and tea;
But I have married a keelman
And that he let’s me see.
He’s an ugly body ... etc.
[anon.]

The Old Man and Young Wife
There was an old man and a jolly old man,
Come love me whereas I lay
And he would marry a fair young wife
The clean contrary way.
He woo’d her to wed, to wed,
Come love me whereas I lay,
And after she kicked him out of the bed
The clean contrary way
Then for her dinner she looked due,
Come love me whereas I lay
Or she would make her husband rue
The clean contrary way.
She proved a gallant housewife soon,
Come love me whereas I lay
She was up ev’ry morning by noon
The clean contrary way.
She made him go wash and wring,
Come love me whereas I lay
And ev’ry day to dance and sing
The clean contrary way.
She made him do a worse thing than this
Come love me whereas I lay
To father a child was none of his,
The clean contrary way.
[anon. 17de eeuw]

[Robert Burns e.a.]


Een vrolijk nieuw liefdeslied
Het was eens op een zomerdag,
Midden op de ochtend,
Dat ik een aardig meisje zag,
Het schoonste ooit geboren;
Vlak bij een koele vijver,
Die in een groene weide lag,
Zocht zij zich wat verkoeling
En waande zich onbespied.
Zij verzamelde fraaie bloemen
En had zoveel plezier
Alsof ze dagelijks genoot
Van Cupido’s domeinen.
De velden boden genoeg vertier
Aan deze vriendelijke deerne,
Veel tijd en moeite spendeerde zij
Om haar zinnen te bevredigen.
Zo zocht zij daar de sleutelbloem,
De gele narcis en het madeliefje;
De primula zag er zo aardig uit,
Ze sloofde zich flink uit
En elke keer dat zij
Zo’n fraai bloementuiltje plukte
Stond ze op en slaakte een zucht
En wenste haar schort reeds vol.
Ik hoorde haar verzuchting
En waagde het op haar af te gaan.
In de hoop haar liefde te winnen
Begon ik haar aldus het hof te maken:
‘Schone maagd, wees niet zo schuchter,
Ik buig mij naar u toe om u te kussen.’
‘O foei,’ kreet zij, ‘ga weg!’
Maar stemde met een glimlach toe.
Toen hielp ik haar met plukken
Van elke bloemensoort die er groeide
Geen kruid of bloem liet ik staan
Alleen tijm en wijnruit.
Zowel zij als ik deden moeite
Om bloemen te verzamelen,
Totdat deze deerne sprak,
“Goede heer, ik hoef niet meer.’
Toch bood mijn verliefde hart aan
Om nog wat meer te plukken;
‘Nee, heer,’ zei zij, ‘k moet gaan,
Omdat mijn schort nu vol is.
Dus, heer, ik neem afscheid,
Tot wij elkaar weer zullen zien:’
Beloonde me met een kus,
En dankte mij voor de moeite.
[Rein de Vries]

Godvruchtige Girzie
De nacht was een gewijde nacht
De dag was een gewijde dag geweest
Kilmarnock glansde van kaarslicht,
toen Girzie op huis aan ging.
Een zondig man, tegenspoed zij met hem!
En dat hij nooit de hemel zie!
Kwam Godvruchtige Girzie tegen,
In de Craigieheuvels zo hoog.
De kerel was vlug, de kerel was sterk,
Hij nam geen tijd voor onderhandeling,
en haar kerkwerk had haar verzwakt,
Zij had geen kracht om hem te weerstaan.
Maar ach, zij keek op naar de maan,
en ach, zo zuchtte zij zeer vroom,
‘Mijn hart vertrouw ik de hemel toe,
waar jouw zondige bout ook zij.’
[Rein de Vries]

De klacht van het meisje van Sandgate
Ik was echt een jonge meid,
En woonde in Sandgate Street.
Ik dacht een goede man te trouwen
Die mij ‘s nachts warm kon houden.
Hij heeft een lelijk, pokdalig lijf,
Hij is een rampzalige, afzichtelijke nietsnut;
En ik trouwde een schapenverfhandelaar,
En mijn goede dagen zijn geteld.

Ik wilde een dominee trouwen
Om mij mijn gebeden te horen zeggen;
Maar het werd een schapenverfhandelaar,
En hij schopt me de trap af.
Hij heeft een lelijk ... etc.

Ik wilde een stoffenverver trouwen
Om mijn schort blauw te verven;
Maar het werd een schapenverfhandelaar,
En hij doet mij bitter berouwen.
Hij heeft een lelijk ... etc.

Ik wilde een timmerman trouwen
Om stoel en kruk voor mij te maken;
Maar het werd een schapenverfhandelaar,
En hij is een volkomen dwaas.
Hij heeft een lelijk ... etc.

Ik wilde een zeeman trouwen
Om mij suiker en thee te brengen;
Maar het werd een schapenverfhandelaar,
En dat wrijft hij me onder de neus.
Hij heeft een lelijk ... etc.
[Rein de Vries]

De oude man met jonge vrouw
Er was een oude man, een heel oude man,
Kom bemin me zoals ik hier lig
Die wou een knappe jonge vrouw huwen
Precies de omgekeerde wereld.
Hij verleidde haar met hem te trouwen,
Kom bemin me zoals ik hier lig
En daarna schopte zij hem het bed uit
Precies de omgekeerde wereld.
Vervolgens moest haar eten opgediend
Kom bemin me zoals ik hier lig
Anders zou haar man het berouwen
Precies de omgekeerde wereld.
Zij bewees zich dra een echte huisvrouw,
Kom bemin me zoals ik hier lig
Ze stond iedere morgen om 12 uur op
Precies de omgekeerde wereld.
Ze liet hem wassen en wringen
Kom bemin me zoals ik hier lig
En elke dag dansen en zingen
Precies de omgekeerde wereld.
Zij liet hem nog iets ergers doen
Kom bemin me zoals ik hier lig
Vader te zijn van een onecht kind,
Precies de omgekeerde wereld.
[Rein de Vries]

[Rein de Vries]