Roel Griffioen - Three Cow Songs


The Spotted Cow
One morning in the month of June,
As from my cot I strayed,
Just at the dawning of the day,
I met with a charming maid.
Good morning to you, wither? said I,
Good morning to you now.
The maid replied: Kind Sir, she cried,
I've lost my spotted cow.
No longer weep, no longer mourn.
Your cow's not lost my dear.
I saw her down in yonder grove.
Come love and I'll show you where.
I must confess, you're very kind.
I thank you Sir, said she.
We will be sure her there to find.
Come sweetheart and go with me.
And in the grove they spent the day.
They thought it passed too soon.
At night they homeward bent their way,
While brightly shone the moon.
If he should cross the flowery dale
Or go to view the plough,
She comes and calls: You gentle swain,
I've lost my spotted cow.
[anon. ca.1740]

The Pretty Maid Milking The Cow
It was on a fine summer's morning,
When the birds sweetly tuned on each bough;
I heard a fair maid sing most charming
As she sat a-milking her cow;
Her voice, it was chanting melodious,
She left me scarce able to go;
My heart it is soothed in solace,
My Cailín deas crúite na mbó.
With courtesy I did salute her,
"Good-morrow, most amiable maid,
I'm your captive slave for the future."
"Kind sir, do not banter," she said,
"I'm not such a precious rare jewel,
That I should enamour you so;
I am but a plain country girl,"
Says Cailín deas crúite na mbó.
"I beg you'll withdraw and don't tease me;
I cannot consent unto thee.
I like to live single and airy,
Till more of the world I do see.
New cares they would me embarrass,
Besides, sir, my fortune is low,
Until I get rich I'll not marry,"
Says Cailín deas crúite na mbó.
"A young maid is like a ship sailing,
There's no knowing how long she may steer,
For with every blast she's in danger;
Oh! consent, love, and banish all care.
For riches I care not a farthing,
Your affection I want and no more;
In comfort I'd wish to enjoy you,
My Cailín deas crúite na mbó..."
[trad. Iers 18de eeuw]

The Old Man Who Lived In The Woods
There was an old man who lived in the woods,
As you shall plainly see.
Who said he could do more work in one day
Than his wife could do in three.
"With all my heart," the old woman said,
"But then you must allow,
That you must do my work for a day,
And I'll go follow the plow."
"You must milk the tiny cow,
lest she should go quite dry,
And you must feed the little pigs
that live in yonder sty.
And you must watch the speckled hen
for fear she lays astray,
And not forget the spool of yarn
That I spin every day."
The old woman took the staff in her hand,
and went to follow the plow;
And the old man took the pail on his head
and went to milk the cow.
But Tiny she winked and Tiny she blinked
And Tiny she tossed her nose,
And Tiny she gave him a kick on the shins
Till the blood ran down to his toes.
And then he went to feed the pigs
That lived within the sty;
The old sow ran against his legs
And threw him in the mire.
And then he watched the speckled hen
lest she might lay astray;
But he quite forgot the spool of yarn
That his wife spun every day.
Then the old man swore by the sun and the moon
And the green leaves on the trees
That his wife could do more work in a day
Than he could do in three.
And when he saw how well she plowed
And ran the furrows eve,
He swore she could do more work in a day,
Than he could do in seven!
[trad. Amerikaans]

[ anon.]


De gevlekte koe
Op een ochtend in de maand juni,
Toen ik uit mijn huisje kwam,
Juist bij de dageraad,
kwam ik een lieflijk meisje tegen.
Goede morgen, waarheen ga je, zei ik,
Goede morgen wens ik je.
Het meisje antwoordde: Goede heer,
Ik ben mijn gevlekte koe kwijt.
Huil niet langer, treur niet langer
Je koe is niet kwijt, mijn schat.
Ik zag haar daar in het gindse bosje.
Kom lief, dan laat ik ’t je zien.
Ik moet zeggen, u bent erg aardig.
Ik dank u wel meneer, zei zij.
We zullen haar daar zeker vinden.
Kom lieverd en ga met me mee.
En in het bosje bleven ze de hele dag.
Ze vonden de dag te kort.
’s Avonds gingen ze elk huns weegs,
Bij een helder schijnende maan.
Als hij nu weer door het bloemendal loopt
Of de ploeg gaat bekijken,
Dan komt zij en roept: Jij lieve minnaar,
Ik ben mijn gevlekte koe kwijt.
[Rein de Vries]

De mooie meid die de koe melkt
Het was op een mooie zomerochtend,
Toen de vogels zoet zongen op elke tak;
Dat ik een mooi meisje heel mooi hoorde zingen
Terwijl ze haar koe aan het melken was;
Haar stem, die zong zo melodieus,
Ik kon me nauwelijks nog verroeren;
Ik voelde mijn hart lichter worden,
Mijn mooie meid die de koe melkt.
Ik groette haar beleefd,
“Goede morgen, allerlieflijkste meid,
Ik ben voor altijd door u bevangen.”
“Beste meneer, hou me niet voor de gek,” zei zij,
“Ik ben niet zo’n zeldzame parel,
Dat ik zoveel indruk op u zou maken;
Ik ben maar een simpele boerenmeid,”
Zegt de mooie meid die de koe melkt.
“Ik verzoek u verder te gaan en mij niet te plagen;
Ik kan niet aan u toegeven.
Ik wil graag alleen en vrij kunnen leven,
Tot ik meer van de wereld heb gezien.
Nieuwe zorgen zouden me hinderen,
Bovendien, meneer, ik heb weinig geluk,
Totdat ik rijk ben zal ik niet trouwen,”
Zegt de mooie meid die de koe melkt.
“Een jong meisje is als een varend schip,
Niemand weet hoe lang ze zal zwerven,
Want met elke stormvlaag loopt ze gevaar;
Och, geef toch toe, mijn lief, en verdrijf alle zorgen.
Om rijkdom geef ik geen cent,
Jouw liefde is wat ik wil en niets anders;
In rust wil ik met jou samen zijn,
Mijn mooie meid die de koe melkt…”
[Rein de Vries]

De oude man die in het bos woonde
Er was eens een oude man die in het bos woonde,
Zoals je goed kunt zien.
Die zei dat hij meer werk kon doen in één dag
Dan zijn vrouw kon doen in drie.
“Met alle plezier,” zei de oude vrouw,
“Maar dan geldt natuurlijk ook,
Dat jij mijn werk doet voor een dag,
En dan ga ik achter de ploeg.”
“Je moet de kleine koe melken,
Zodat ze niet droog komt te staan,
En je moet de kleine biggetjes voeren
Die leven in die stal.
En je moet de gespikkelde kip in de gaten houden
Uit angst legt ze buiten haar nest,
En vergeet niet de spoel garen
Die ik iedere dag spin.”
De oude vrouw nam de stok in haar hand,
En ging aan ’t werk met de ploeg;
En de oude man nam de emmer op zijn hoofd
En ging de koe melken.
Maar Kleintje knipperde en Kleintje keek
En Kleintje, die schudde haar kop,
En Kleintje gaf hem een schop tegen z’n schenen
Dat het bloed hem over z’n tenen liep.
En toen ging hij de biggetjes voeren
Die leefden in de stal;
De oude zeug liep tegen zijn benen
En gooide hem in de modder.
En hij lette goed op de gespikkelde kip
Zodat ze geen ei buiten het nest legde;
Maar hij vergat volledig de spoel garen
Die zijn vrouw elke dag spon.
Toen zwoer de oude man bij de zon en de maan
En de groene blaadjes aan de bomen
Dat zijn vrouw meer werk kon doen in één dag
Dan hij kon doen in drie.
En toen hij zag hoe goed ze ploegde
En alle voren kaarsrecht waren,
Zwoer hij dat zij meer werk kon doen in één dag,
Dan hij kon doen in zeven!
[Rein de Vries]

[Rein de Vries]