Johann Sebastian Bach - Jesu, meine Freude (koraal)


Jesu, meine Freude,

Jesu, meine Freude,
meines Herzens Weide,
Jesu, meine Zier,
ach wie lang, ach lange
Ist dem Herzen bange
und verlangt nach dir!
Gottes Lamm, mein Bräutigam,
außer dir soll mir auf Erden
nichts sonst Liebers werden.

Unter deinen Schirmen
bin ich für den Stürmen
aller Feinde frei.
Laß den Satan wütern,
laß den Feind erschüttern,
mir steht Jesus bei.
Ob es itzt gleich kracht und blitzt,
ob gleich Sünd und Hölle schrecken:
Jesus will mich decken.

Trotz dem alten Drachen,
Trotz des Todes Rachen,
Trotz der Furcht darzu,
Tobe, Welt, und springe,
Ich steh hier und singe
In gar sichrer Ruh.
Gottes Macht hält mich in acht;
Erd und Abgrund muß verstummen,
Ob sie noch so brummen.

Weg mit allen Schätzen!
Du bist mein Ergetzen,
Jesu, meine Lust!
Weg ihr eiteln Ehren,
Ich mag euch nicht hören,
bleibt mir unbewußt!
Elend, Not, Kreuz, Schmach und Tod,
soll mich, ob ich viel muß leiden,
nicht von Jesu Scheiden.

Gute Nacht, o Wesen,
das die Welt erlesen,
mir gefällst du nicht.
Gute Nacht, ihr Sünden,
bleibet weit dahinten,
kommt nicht mehr ans Licht!
Gute Nacht, du Stolz und Pracht!
Dir sei ganz, du Lasterleben,
gute Nacht gegeben.

Weicht, ihr Trauergeister,
denn mein Freudenmeister,
Jesus, tritt herein.
Denen, die Gott lieben,
muß auch ihr Betrieben
lauter Zucker sein.
Duld ich schon hier Spott und Hohn,
dennoch bleibst du auch im Leide,
Jesu, meine Freude.

[Johann Franck]


Jezus, o mijn vreugde,

Jezus, o mijn vreugde,
Voor mijn hart een weide,
Wil mijn sieraad zijn.
Ach hoe lang, hoe lang reeds,
Is mijn hart toch bang steeds
En wil bij U zijn.
Lam van God, mijn bruidegom,
Buiten U is mij op aarde,
Niets van groter waarde.

Onder Uwe hoede
Heeft des vijands woeden
Geen gevaar voor mij.
Laat de duivel rond gaan,
Vijanden voor schut staan,
Jezus staat mij bij.
Of het dondert ook en flitst
Ook al schudden hel en zonde,
Jezus heelt mijn wonde.

Ondanks de oude draak,
Ondanks des dodes wraak,
Ondanks de angst daarvoor,
Woed maar, wereld, spring maar,
Ik sta hier en zing klaar;
Niets hier dat mij stoort.
Gods kracht houdt mij in haar macht;
Aard' en afgrond moet verstommen,
Of ze nog zo brommen.

Naar geen schat meer jagen!
U bent mijn behagen.
Jezus is mijn lust!
Eer, ga uit mijn oren,
'k wil daarvan niets horen,
Laat mij maar met rust!
Lijden, nood, kruis, smaad en dood,
Kan mij, moet ik nog zo lijden,
Niet van Jezus scheiden.

Goede nacht, gij wezen,
Door de aard' geprezen,
Mij behaag je niet.
Goede nacht gij zonden,
'k Ben van u ontbonden,
Geen meer die men ziet!
Goede nacht, jij trots en pracht.
Jou zij, heel mijn zondenleven.
Goede nacht gegeven.

Wijkt, gij jammerschimmen,
Want mijn Heer komt binnen,
Jezus, vreugdeheer.
Hun, die van God houden,
Is der schimmen rouwen
Suikerzoet begeer.
Leed ik hier reeds spot en hoon,
Toch was steeds, zolang mij heugde,
Jezus, U mijn vreugde.

[Rein de Vries]