Claudio Monteverdi - Piagn’e sospira


Piagn’e sospira: e quand’i caldi raggi
Fuggon le greggi a la dolce ombr’assise,
Ne la scorza de’ pini o pur de’ faggi
Segnò l’amato nome in mille guise,
E de la sua fortuna i gravi oltraggi
E in rileggendo poi le proprie note
Spargea di pianto le vermiglie gote.

[Torquato Tasso]


Ze weent en zucht, en toen de hete zonnestralen
De kuddes naar zoete schaduw joegen,
Kerfde ze in de bast van pijnbomen of beuken
De geliefde naam op duizend manieren,
En het grote onrecht door het lot haar aangedaan;
En toen ze daarna teruglas wat ze had geschreven,
Rolden de tranen over haar rode wangen.

[Rein de Vries]