Francis Poulenc - Chansons Françaises


Margoton va t’a l’iau avecque son cruchon.
La fontaine était creuse elle est tombée au fond
aïe aïe aïe aïe se dit Margoton
Par là passèrent trois jeunes et beaux garçons ...
Que don’rez-vous la belle qu’on vous tir’ du fond ...
Tirez d’abord dit-elle après ça nous verrons ...
Quand la bell’ fut tirée commence une chanson ...
Ce n’est pas ça la bell’ que nous vous demandons ...
C’est votre petit coeur savoir si nous l’aurons ...
Mon petit coeur messir’s n’est point pour greluchons.


La belle se siet au pied de la tour,
Qui pleure et soupire et mène grand dolour.
Son père lui demande: fille qu’avez-vous
volez-vous mari ou volez-vous seignour?
Je ne veuille mari je ne veuille seignour
Je veuille le mien ami qui pourrit en la tour.
Par Dieu ma belle fille alors ne l’aurez vous
Car il sera pendu demain au point du jour.
Père si on le pend enfouyés moi dessous
Ainsi diront les gens ce sont loyales amours.


Pilons l’orge, pilons l’orge, pilons l’orge, pilons la.
Mon père m’y maria pilons l’orge, pilons la
à un vilain m’y donna tirez vous ci, tirez vous la.
qui de rien ne me donna ...
mais s’il continue cela ...
battu vraiment il sera. ...


Clic clac dansez sabots et que crèvent les bombardes
Clic clac dansez sabots et qu’éclatent les pipeaux
Mais comment mener la danse
Quand les belles n’y sont pas. ...
Allons donc quérir les filles
ben sur qu’il n’en manqu’ra pas? ...
Ben l’bonjour messieux et dames
donn’rez-vous la bell’ que v’la? ...
Le père: Les fill’s c’est fait pour l’ménage
et pour garder la maison. ...
Ouais mais pour fair’ mariage
vous faudra ben des garçons ...
Vous n’en avez point fait d’autre
vous patronne et vous patron ...
Le père: Allez donc ensemble au diable
ça s’ra ben un débarras. ...
Ah! patron et vous patronne
qu’on s’embrasse pour de bon. ...


C’est la petit fill’ du prince qui voulait se marier
Sus l’bord de Loire mariez-vous la belle
Sus l’bord de l’eau sus l’bord de Loire jolie matelot.
Elle voit venir un’barque et quarant’galants dedans. ...
Le plus jeune des quarante lui commence une chanson. ...
Votre chanson que vous dites je voudrais bien le savoir. ...
Si vous venez dans ma barque belle je vous l’apprendrai. ...
La belle a fait ses cent toures en écoutant la chanson. ...
Tout au bout de ses cent toures la bell’se mit à pleurer. ...
Pourquoi tant pleurer ma mie
quand je chante une chanson. ...
C’est mon coeur qu’est plein de larmes
parc’que vous l’avez gagné. ...
Ne pleur’plus ton coeur la belle car je te le renderai. ...
N’est pas si facile à rendre comme de l’argent prêté. ...


La bell’si nous étions dedans stu hautbois
On s’y mangerions fort bien des noix
On s’y mangerions à notre loisi nique nac no muse
Belle vous m’avez t’emberlifi,
t’emberlificoté par votre biauté.
La bell’si nous étions dedans stu vivier
On s’y mettrions des p’tits canards nager
On s’y mettrions à notre loisi nique nac no muse (etc.)
La bell’si nous étions dedans stu fourneau
On s’y mangerions des p’tits pâtés tout chauds
On s’y mangerions à notre loisi (etc.)
La bell’si nous etions dedans stu jardin
On s’y chanterions soir et matin.
On s’y chanterions à notre loisi (etc.)


Ah! mon beau laboureur, Ah! mon beau laboureur
Beau laboureur de vigne ô lire ô lire
Beau laboureur de vigne ô lire ô la
N’avez pas vu passer Margueritte ma mie? ...
Je don’rais cent écus qui dire où est ma mie, ...
Monsieur comptez-les là entrez dans notre vigne ...
Dessous un prunier blanc la belle est endormie ...
Je la poussay trois fois sans qu’elle osat mot dire ...
La quatrième fois son petit coeur soupire ...
Pour qui soupirez-vous Margueritte ma mie? ...
Je soupire pour vous et ne puis m’en dédire ...
Les voisins nous ont vus et ils iront tout dire ...
Laissons les gens parler et n’en faisons que rire. ...
Quand ils auront tout dit n’auront plus rien à dire. ...


Les tisserands sont pir’que les évèques
Tous les lundis ils s’en font une fête
Et tipe et tape et tipe et tape est-il trop gros est-il trop fin
Et couchés tard, levés matin
En roulant la navette le beau temps viendra.
Et le mardi ils ont mal à la tête ...
Le mercredi ils vont changer leur pièce ...
Et le jeudi ils vont voir leur maîtresse ...
Le vendredi ils travaillent sans cesse ...
Le samedi la pièce n’est pas faite ...
Et le dimanche il faut de l’argent maître. ...

[ Trad.]


Margoton ging naar de bron met haar kruikje.
De bron was diep en zij viel op de bodem
au au au au riep Margoton.
Daar kwamen drie schone jongemannen langs.
Wat geeft u ons als we u eruittrekken?
Trek me er eerst maar uit, daarna zien we wel.
Toen het meisje eruit was begon ze een lied te zingen.
Meisje, dat was niet wat we u vroegen.
Het is uw hartje dat we zouden willen.
Mijn hartje, heren, is niet voor playboys.


Het meisje zat aan de voet van de toren,
en huilde en zuchtte en klaagde haar smart.
Haar vader vroeg haar: dochter, wat scheelt je,
wil je een man of wil je een broodheer?
Ik wil geen man, ik wil geen heer,
Ik wil mijn lief, die wegkwijnt in de toren.
Ach god, mijn lieve kind, dat zal niet gaan
want hij wordt morgen bij dageraad opgehangen.
Vader, als ze hem ophangen, begraaf mij dan eronder.
Dan zullen de mensen zeggen: dat waren trouwe geliefden.


Stamp de gerst, stamp de gerst, stamp de gerst, stamp hem.
Mijn vader heeft me uitgehuwelijkt,
aan een ploert gegeven
die niets voor me overheeft;
maar als het zo doorgaat
zal hij zeker klappen krijgen.


Klik klak, laat de klompen dansen, laat de schalmeien kraken
Klik klak, laat de klompen dansen, laat de fluiten klinken
Maar hoe moeten we nu dansen
Als er geen meisjes zijn.
Laten we dus meisjes gaan halen
er zullen er toch wel genoeg zijn?
Wel goedendag, mijnheer en mevrouw
Geeft u ons uw dochter daar?
De vader: Dochters zijn voor het huishouden
en om het huis te bewaken.
Ja, maar om een huwelijk te regelen
hebt u wel jongens nodig;
U hebt het ook niet anders gedaan
mijnheer en mevrouw.
De vader: Loop toch allemaal naar de duivel
opgeruimd staat netjes.
Ach, mijnheer en mevrouw
laten we elkaar toch echt omhelzen.


Het was het dochtertje van de prins dat wilde trouwen
Aan de oever van de Loire trouw daar, meisje
Aan de waterkant, aan de oever van de Loire, leuke matroos.
Ze zag een boot naderen met veertig jongemannen erin.
De jongste van de veertig begon een lied voor haar te zingen.
Het lied dat u zingt, dat zou ik wel willen leren.
Als u aan boord van mijn schip komt, zal ik het u leren.
Het meisje liep heen en weer, luisterend naar het lied.
Na het heen en weer lopen begon het meisje te huilen.
Waarom huil je zo, mijn liefje,
als ik een lied zing?
Mijn hart is vol van tranen
omdat u het gewonnen hebt.
Huil maar niet, mijn liefje, want ik zal het je teruggeven.
Het is niet zo eenvoudig terug te geven als geleend geld.


Meisje, als we in het bos waren
konden we naar hartelust noten eten.
We konden eten zoveel we wilden.
Meisje, je hebt me in de w...
in de war gebracht met je schoonheid.
Meisje, als we bij de vijver waren
konden we eendjes erin laten zwemmen.
We konden ze laten zwemmen zoveel we wilden.
Meisje als we bij de oven waren
konden we hete gebakjes eten.
We konden eten zoveel we wilden.
Meisje, als we in de tuin waren
konden we dag en nacht zingen.
We konden zingen zoveel we wilden.


Ach, mijn schone akkerman, ach, mijn schone akkerman
Schone akkerman, die wijn verbouwt, (tiereliereliere)
Schone akkerman, die wijn verbouwt.
Hebt u Margueritte, mijn liefje, niet langs zien komen?
Ik zou honderd goudstukken geven om te weten waar ze is.
Mijnheer, geef ze maar en kom in onze wijngaard.
Onder een witte pruimenboom is het meisje ingeslapen.
Ik gaf haar driemaal een duw, maar ze durfde niets te zeggen.
De vierde keer slaakte ze een zucht.
Om wie zucht je, Margueritte, mijn liefje?
Ik zucht om u en kan het niet ontkennen.
De buren hebben ons gezien en zullen alles vertellen.
Laat de mensen praten, we lachen er slechts om.
Als ze alles verteld hebben, hebben ze niets meer te zeggen.


Wevers zijn erger dan bisschoppen.
Elke maandag vieren ze feest.
En tip en tap en tip en tap is het te grof is het te fijn;
laat naar bed, vroeg uit de veren.
Laat de schietspoel draaien en het wordt mooi weer.
En dinsdags hebben ze hoofdpijn.
’s Woensdags trekken ze iets anders aan.
En donderdags gaan ze naar hun maîtresse.
Vrijdags werken ze zonder ophouden.
Zaterdags is het werk niet af.
En zondags: we willen ons geld, baas.

[Rein de Vries]