Ton de Leeuw - Prière


Prière

Seigneur,
Je suis le plus petit grain de sable du désert
que féconde la pluie de tes bien-faits.
Je ne mérite pas que tu discernes, un jour,
mes bonnes actions.
Je me suis trop souvent contenté
de m'en remettre à ton indulgence, à ta miséricorde.
Trop souvent je n'ai pas révéré ta puissance
en contemplant une feuille ou une forêt,
la mer, une aurore, un pétale de rose.
Trop souvent je n'ai pas écouté ce que tu disais
dans les grondements du tonnerre,
dans les chants des fontaines,
dans les plaintes des pauvres.
Seigneur.
Le silence de la nuit était pour moi ton silence,
lorsque je souffrais, je ne pensais pas
que d'autres souffraient plus que moi.
Je faisais le bien en pensant que tu me voyais,
je faisais le mal en pensant que tu me voyais pas.
Lorsque j'étais heureux,
je me croyais l'artisan de ma félicité.
Je me suis permis de te regarder,
je me suis permis de te parler.
Seigneur.
J'ai osé discuter sur le bien,
j'ai osé discuter sur le mal,
sur la vie, sur la mort.
J'ai osé interpréter tes paroles.
J'ai osé lever la tête
dans l'ouragan de tes révélations.
Seigneur, qui fais germer les graines!
Seigneur, qui détruis les moissons!
Seigneur du soleil des batailles et de la lune paisible!
Seigneur de la colombe et du lion,
du brin d'herbe et du cèdre,
de la mousse et du marbre.
Seigneur des oasis et des déserts!
Seigneur, qui as renversé les palais de Babylone.
Seigneur, qui procures une tente au nomade.
Seigneur, qui nous a donné le jour et la nuit,
l'eau et le pain, espoir et le sommeil!
Seigneur de la vie, de la mort, de la résurrection,
je me prosterne devant ta majesté!
Je m'anéantis devant ta puissance.
Je ne sais plus que j'existe,
quand j'ai prononcé ton nom.

[Franz Toussaint (?)]


Gebed

Heer,
Ik ben het kleinste zandkorreltje van de woestijn,
vruchtbaar gemaakt door uw zegen-regen.
Ik verdien het niet dat u eens
mijn goede daden zult beoordelen.
Ik heb mij te vaak in gemakzucht verlaten
op uw toegeeflijkheid, op uw genade.
Te vaak heb ik uw macht niet geëerbiedigd
bij het beschouwen van een blad of een woud,
de zee, een ochtendgloren, een rozenblaadje.
Te vaak heb ik niet geluisterd naar uw stem
in het rommelen van de donder,
in het zingen van de bronnen,
in het weeklagen der armen.
Heer.
De stilte van de nacht was voor mij uw stilte,
toen ik leed dacht ik er niet aan
dat anderen meer moesten lijden dan ik.
Ik deed het goede in de veronderstelling dat u mij zag,
ik deed het slechte ervan uitgaande dat u mij niet zag.
Toen ik gelukkig was,
dacht ik dat ik mijn eigen geluk gesmeed had.
Ik stond mijzelf toe u te zien,
ik stond mijzelf toe tot u te spreken.
Heer.
Ik heb het gewaagd om te twisten over het goede,
Ik heb het gewaagd om te twisten over het kwaad,
over het leven en over de dood.
Ik heb uw woord durven verklaren.
Ik heb mijn hoofd durven opheffen
in de orkaan van uw openbaringen.
Heer, die het graan doet kiemen!
Heer, die de oogsten verwoest!
Heer van de zon bij veldslagen en van de vredige maan!
Heer van de duif en van de leeuw,
van het grassprietje en van de ceder,
van het mos en van het marmer.
Heer van de oases en van de woestijnen!
Heer, die de paleizen van Babylon omver heeft geworpen.
Heer, die de nomade een tent verschaft.
Heer, die ons dag en nacht gegeven heeft,
water en brood, de hoop en de slaap!
Heer van het leven, van de dood, van de opstanding,
ik kniel neer voor uw verhevenheid!
Ik buig me in het stof voor uw macht.
Ik weet niets meer, dan dat ik besta,
als ik uw naam heb uitgesproken.

[Rein de Vries]