John Rutter - Five Childhood Lyrics - Vijf kinderrijmpjes


Monday’s Child
Monday’s child is fair of face,
Tuesday’s child is full of grace,
Wednesday’s child is full of woe,
Thursday’s child has far to go,
Friday’s child is loving and giving,
Saturday’s child works hard for his living,
And the child that is born on the Sabbath day
Is bonny and blithe, and good and gay.
[traditioneel kinderliedje]

The Owl And The Pussy-Cat
The owl and the pussy-cat went to sea
In a beautiful pea-green boat,
They took some honey, and plenty of money
Wrapped up in a five-pound note.
The owl looked up to the stars above
And sang to a small guitar,
“O lovely pussy! O pussy, my love,
What a beautiful pussy you are!”
Pussy said to the owl, “You elegant fowl!
How charmingly sweet you sing!
O let us be married! too long we have tarried:
But what shall we do for a ring?”
They sailed away for a year and a day,
To the land where the Bong-tree grows,
And there in a wood a piggy-wig stood,
With a ring at the end of his nose.
“Dear pig, are you willing to sell for one shilling
Your ring?” Said the piggy “I will”
So they took it away and were married next day
By the turkey who lives on the hill.
They dined on mince, and slices of quince,
Which they ate with a runcible spoon,
And hand in hand on the edge of the sand,
They danced by the light of the moon.
[Edward Lear 1812-1888]



Windy Nights
Whenever the moon and the stars are set,
Whenever the wind is high,
All night long in the dark and wet,
A man goes riding by.
Late in the night when the fires are out,
Why does he gallop and gallop about?
Whenever the trees are crying aloud,
And ships are tossed at sea,
By, on the highway, low and loud,
By at the gallop goes he.
By at the gallop he goes, and then
By he comes back at the gallop again.
[Robert Louis Stevenson 1850-1894]

Matthew, Mark, Luke and John
Matthew, Mark, Luke and John,
Bless the bed that I lie on.
Four corners to my bed,
Four angels round my head;
One to watch, and one to pray,
And two to bear my soul away.
[traditioneel kinderliedje]

Sing A Song Of Sixpence
Sing a song of sixpence,
A pocket full of rye;
Four and twenty blackbirds,
Baked in a pie.
When the pie was opened
The birds began to sing;
Was not that a dainty dish
To set before the king?
The king was in his counting house,
Counting out his money;
The queen was in the parlour,
Eating bread and honey.
The maid was in the garden,
Hanging out the clothes,
There came a little blackbird
And snapp’d off her nose.
[traditioneel kinderliedje]

[ ]


Maandags kind
Maandags kind heeft een mooi gezicht,
Dinsdags kind is vol bevalligheid,
Woensdags kind is vol van smart,
Donderdags kind heeft ver te gaan,
Vrijdags kind is liefdevol en gul,
Zaterdags kind werkt hard voor zijn brood,
En het kind dat op de sabbatdag geboren is
Is lief en blij, en goed en vrolijk.
[Rein de Vries]

De uil en het poesje
De uil en het poesje gingen de zee op
In een prachtige erwtgroene boot,
Ze namen wat honing en flink wat geld mee,
Gerold in een vijf-pondsbiljet.
De uil keek naar de sterrenhemel
En zong bij een klein gitaartje,
“O lieflijk poesje, o poesje, mijn lief,
Wat ben je een prachtig poesje!”
Poesje zei tot de uil: “Jij elegant gevogelte!
Wat kun je verleidelijk zoet zingen!
O laat toch huwen! te lang hebben we gedraald:
Maar wat nemen we als ring?”
Ze voeren weg voor een jaar en een dag,
Naar het land waar de Bong-boom groeit,
En daar in een woud stond een varkentje,
Met een ring door z’n neus.
“Lief varkentje, zou je bereid zijn voor één shilling
Je ring af te staan?” Zei het varken: “Ja”
Dus namen ze de ring mee en werden de volgende dag
Gehuwd door de kalkoen die op de heuvel woont.
Ze dineerden met gehakt, en schijfjes peer,
Wat ze aten met een runcible lepel,
En hand in hand aan het eind van het zand,
Dansten ze bij het licht van de maan.
[Rein de Vries]
Een ‘Bong-tree’ en een ‘runcible spoon’ zijn typische Learismen -niemand heeft er ooit één in ’t echt gezien...

Winderige nachten
Wanneer de maan en de sterren zijn ondergegaan,
Wanneer de wind is opgestoken,
De hele nacht in het donker en nat,
Rijdt dan een man voorbij.
Laat in de nacht als de vuren uit zijn,
Waarom galoppeert hij almaar rond?
Wanneer de bomen luidkeels schreien,
En schepen op zee heen en weer worden geworpen,
Langs de straatweg, laag en luid,
Langs gaat hij in galop.
Langs galoppeert hij en dan
Langs komt hij weer teruggegaloppeerd.
[Rein de Vries]

Mattheus, Marcus, Lucas, Johannes
Mattheus, Marcus, Lucas, Johannes,
Zegen het bed waarop ik lig.
Vier hoeken aan mijn bed,
Vier engelen rond mijn hoofd;
Eén om me te bewaken, en één om te bidden,
En twee om mijn ziel mee te dragen.
[Rein de Vries]

Zing een lied van een dubbeltje
Zing een lied van een dubbeltje,
Een zak vol met rogge;
Vier en twintig merels,
Gebakken in een taart.
Toen de taart werd geopend
Begonnen de merels te zingen;
Was dat geen keurige schotel
Om de koning voor te zetten?
De koning zat in z’n tel-huis,
Om z’n geld te tellen;
De koningin zat in de zitkamer,
Om brood met honing te eten.
De meid was in de tuin,
Om kleren op te hangen,
Toen kwam er een mereltje aan
En pikte haar neus eraf.
[Rein de Vries]

[ ]