Paul Hindemith - Six chansons


La biche

Ô, la biche; quel bel intérieur
d'anciennes forêts dans tes yeux abonde;
combien de confiance ronde
mêlée à combien de peur.

Tout cela, porté par la vive
gracilité de tes bonds.
Mais jamais rien n'arrive
à cette impossessive
ignorance de ton front.

Un Cygne

Un cygne avance sur l'eau
tout entouré de lui-même,
comme un glissant tableau;
ainsi à certains instants
un être que l'on aime
est tout un espace mouvant.

Il se rapproche, doublé,
comme ce cygne qui nage,
sur notre âme troublée…
qui à cet être ajoute
la tremblant image
de bonheur et de doute.

Puisque tout passe

Puisque tout passe, faisons
la mélodie passagère;
celle qui nous désaltère,
aura de nous raison.

Chantons ce qui nous quitte
avec amour et art;
soyons plus vite
que le rapide départ.

Printemps

Ô mélodie de la sève
qui dans les instruments
de tous ces arbres s'élève --,
accompagne le chant
de notre voix trop brève.

C'est pendant quelques mesures
seulement que nous suivons
les multiples figures
de ton long abandon,
ô abondante nature.

Quand il faudra nous taire,
d'autres continueront…
Mais à présent comment faire
pour te rendre mon
grand cœur complémentaire?

En hiver

En hiver, la mort meurtrière
entre dans les maisons;
elle cherche la sœur, le père,
et leur joue du violon.

Mais quand la terre remue
sous la bêche du printemps,
la mort court dans les rues
et salue les passants.

Verger

Jamais la terre n'est plus réelle
que dans tes branches, ô verger blond,
ni plus flottante que dans la dentelle
que font tes ombres sur le gazon.

Là se rencontre ce qui nous reste,
ce qui pèse et ce qui nourrit
avec le passage manifeste
de la tendresse infinie.

Mais à ton centre, la calme fontaine,
presque dormant en son ancien rond,
de ce contraste parle à peine,
tant en elle il se confond.

[Rainer Maria Rilke]


De hinde

Ach de hinde; welk een prachtige
oude bossen weerschijnen in je ogen;
hoeveel oprecht zelfvertrouwen
wordt vermengd met hoeveel vrees.

Al dit, gedragen door de levendige
gratie van je sprongen.
Maar nooit zal er iets gebeuren
met de onverstoorbare
onwetendheid van je aangezicht.

Een zwaan

Een zwaan nadert over het water
geheel door zichzelf omringd,
als een glijdend schilderij;
aldus, op bepaalde momenten,
lijkt een wezen waarvan we houden
een bewegende ruimte in zichzelf.

Hij nadert ons verdubbeld,
zoals de zwaan die voortdrijft
op onze verwarde ziel...
die aan dit wezen toevoegt
het trillend beeld
van geluk en twijfel.

Daar alles voorbijgaat

Daar alles voorbijgaat, laten wij
de vluchtige melodieën behouden;
de melodieën die ons verkwikken
zijn de enigen die overblijven.

Laat ons zingen over dat wat
voorbijgaat met liefde en met kunde;
laten we vlugger zijn
dan de snelle afreis.

De lente

O melodie uit 't sap der planten
die zich in de instrumenten
van al deze bomen verheft,
begeleid de zang
van onze al te kortstondige stem.

Het is slechts enkele maten
dat we je kunnen volgen
in de eindeloze variaties
van je lange extase
o uitbundige natuur.

Wanneer we moeten zwijgen
zullen anderen doorgaan,
maar wat moeten we nu doen
om jou te eren
met heel ons hart?

In de winter

Met de winter treedt de moorddadige dood
onze huizen binnen;
ze zoekt naar oud en jong
en speelt voor hen viool.

Maar wanneer de aarde begint te bewegen
onder de spade van de lente,
rent de dood weg door de straten
terwijl hij de voorbijgangers groet.

De boomgaard

Nooit is de aarde reëler
dan te midden van je takken, blonde gaarde,
noch minder luchtig dan in het kantwerk
dat je schaduwen maken in het gras.

Daar vinden wij wat wij zochten,
dat wat kracht geeft en voedt,
met de onzichtbare overgang
van oneindige tederheid.

Maar in jouw hart rust de fontein,
bijna slapend in zijn antieke kring,
waar nauwelijks van gepraat wordt
daar ze tezamen een geheel vormen.

[ (?)]