Hugo Distler - Die traurige Krönung


Die traurige Krönung

Es war ein König Milesint,
von dem will ich euch sagen:
der meuchelte sein Bruderskind,
wollte selbst die Krone tragen.
Die Krönung ward mit Prangen
auf Liffeyschloß begangen.
O Irland! Irland! warest du so blind?

Der König sitzt um Mitternacht
im leeren Marmorsaale,
sieht irr in all die neue Pracht,
wie trunken von dem Mahle;
er spricht zu seinem Sohne:
"Noch einmal bring die Krone!
Doch schau, wer hat die Pforten aufgemacht?"

Da kommt ein seltsam Totenspiel,
ein Zug mit leisen Tritten,
vermummte Gäste groß und viel,
eine Krone schwankt in Mitten;
es drängt sich durch die Pforte
mit Flüstern ohne Worte;
dem Könige, dem wird so geisterschwül.

Und aus der schwarzen Menge blickt
ein Kind mit frischer Wunde,
es lächelt sterbensweh und nickt,
es macht im Saal die Runde,
es trippelt zu dem Throne,
es reichet eine Krone
dem Könige, des Herze tief erschrickt.

Darauf der Zug von dannen strich,
von Morgenluft berauschet,
die Kerzen flackern wunderlich,
der Mond am Fenster lauschet;
der Sohn mit Angst und Schweigen
zum Vater tät sich neigen
er neiget über eine Leiche sich.

[Eduard Mörike]


De droevige kroning

Er was een koning Milesint,
van hem wil ik verhalen:
die bracht om zeep zijn broeders kind,
wou met de kroon zelf pralen.
De kroning werd met praal en pracht
Op Liffeyslot volbracht.
O, Ierland, Ierland, was je dan zo blind!

De koning zit om middernacht
alleen in de marmerzaal,
Kijkt wazig rond naar al die pracht,
als dronken van het maal;
spreekt deze woorden tot zijn zoon:
"Breng mij nog eens de kroon!
Maar zie, wie opende de poort bij nacht?"

Een dodenoptocht wonderlijk
komt op met zachte schreden,
figuren zeer uitzonderlijk,
een kroon die wankelt mede;
Hij dringt zich door de poort
en fluistert zonder woord;
de koning breekt het klamme angstzweet uit.

En uit de zwarte massa blikt
een kind met verse wonden,
het glimlacht flauwtjes en het knikt,
doet in de zaal de ronde,
het trippelt naar des konings troon
en reikt aan hem de koningskroon
de koning is tot in zijn hart verschrikt.

Daarop vertrekt de optocht weer,
beneveld door de morgen,
de kaarsen flakkeren zozeer,
de maan bij 't raam verborgen;
De zoon, hij buigt met bang gemoed,
zich over vader heen met spoed,
hij buigt zich over 's konings lijk nu neer.

[Rein de Vries]