Claude Debussy - Trois chansons de Charles d'Orléans


I. Dieu! qu'il la fait bon regarder!

Dieu! qu'il la fait bon regarder
La gracieuse bonne et belle;
Pour les grans biens que sont en elle
Chascun est prest de la loüer.
Qui se pourroit d'elle lasser?
Tousjours sa beauté renouvelle.
Dieu! qu'il la fait bon regarder,
La gracieuse bonne et belle!
Par de ça, ne de là, la mer
Ne scay dame ne damoiselle
Qui soit en tous bien parfais telle.
C'est ung songe que d'i penser:
Dieu! qu'il la fait bon regarder!

II. Quant j'ai ouy le tabourin

Quant j'ai ouy le tabourin
Sonner pour s'en aller au may,
En mon lit n'en ay fait affray
Ne levé mon chief du coissin;
En disant: il est trop matin
Ung peu je me rendormiray:
Quant j'ai ouy le tabourin
Sonner pour s'en aller au may,
Jeunes gens partent leur butin;
De non chaloir m'accointeray
A lui je m'abutineray
Trouvé l'ay plus prouchain voisin;
Quant j'ai ouy le tabourin
Sonner pour s'en aller au may
En mon lit n'en ay fait affray
Ne levé mon chief du coissin.

III. Yver, vous n'estes qu'un villain

Yver, vous n'estes qu'un villain,
Esté est plaisant et gentil
En témoing de may et d'avril
Qui l'accompaignent soir et main.
Esté revet champs, bois et fleurs
De sa livrée de verdure
Et de maintes autres couleurs
Par l'ordonnance de nature.
Mais vous, Yver, trop estes plein
De nège, vent, pluye et grézil.
On vous deust banir en éxil.
Sans point flater je parle plein:
Yver, vous n'estes qu'un villain.

[Charles d'Orléans]


I. God! wat heeft Hij haar mooi gemaakt!

God! wat heeft Hij haar mooi gemaakt!
de bekoorlijke, goed en schoon;
Om de grote deugden die zij bezit
wil eenieder haar wel prijzen.
Wie zou haar kunnen verlaten?
Haar schoonheid vernieuwt zich steeds weer.
God! wat heeft Hij haar mooi gemaakt,
de bekoorlijke, goed en schoon.
Noch hier, noch ginds, noch ver over zee
ken ik iemand, meisje of vrouw,
die zodanig perfect is in elke deugd.
Het is een droom om aan haar te denken:
God! wat heeft Hij haar mooi gemaakt.

II. Toen ik de tamboerijn hoorde

Toen ik de tamboerijn hoorde
roepen, in de mei om er op uit te gaan,
Bleef ik ongegeneerd in bed liggen
en hief ik mijn hoofd niet van mijn kussen;
terwijl ik zei: het is nog te vroeg
ik ga weer een beetje slapen:
Toen ik de tamboerijn hoorde
roepen, in de mei om er op uit te gaan,
Jonge kerels verdelen hun buit;
onverschilligheid is mijn vertrouwelinge;
haar buit ik uit;
zij is mij meer vertrouwd gebleken;
Toen ik de tamboerijn hoorde
roepen, in de mei om er op uit te gaan,
Bleef ik ongegeneerd in bed liggen
en hief ik mijn hoofd niet van mijn kussen.

III. Winter, je bent niet beter dan een schurk;

Winter, je bent niet beter dan een schurk;
Zomer is aangenaam en vriendelijk,
dat getuigen mei en april
die hem avond en ochtend vergezellen.
Zomer doet velden, bossen en bloemen
opleven met zijn kleed van groen
en een menigte andere kleuren
op bevel van de natuur.
Maar jij, winter, zit veel te vol
met sneeuw, wind, regen en hagel.
Ze zouden je moeten verbannen.
Zonder overdrijving zeg ik volmondig:
Winter, je bent niet beter dan een schurk.

[Rein de Vries]